Twee bijbelstudies: "Aanstekelijk Christen" (2 Petrus 1:3-11)
De brief
Dit is een zeer compacte tekst uit de tweede brief die Petrus rond het jaar 64 na Chr. geschreven heeft (2 Petrus 3:1). Hoewel de brief geen geadresseerden noemt, is het mogelijk dat hij deze brief net als de eerste heeft geschreven aan de gelovigen, die in het noorden en westen van het huidige Turkije woonden. Dat gebied besloeg de hele Zwarte Zeekust en een deel van de westkust, grenzend aan de Egeïsche Zee, het Aziatische deel.
We weten niet hoeveel christenen in dat gebied woonden. Uit een brief die de Plinius rond het jaar 110 als gouverneur van Bythinië schreef aan de toenmalige keizer, blijkt dat het een relatief groot aantal is geweest. Bythinië was één van de streken die Petrus noemt in zijn eerste brief (1 Petrus 1:1).
De hele brief bestaat globaal uit drie delen:
- In het eerste deel bevestigt Petrus zijn apostolisch gezag. Op grond van dat gezag herinnert hij de lezers aan hun roeping (2 Petrus 1:3-21). Dit gezag heeft hij van Christus zelf ontvangen. Op grond daarvan wil hij dat de lezers trouw blijven aan het evangelie (2 Petrus 1:21) en zich niet laten misleiden door dwaalleraars.
- In het tweede deel waarschuwt hij voor het optreden van deze dwaalleraars. Zij staan een losbandig leven voor. Petrus vergelijkt dat leven met de wereld van voor de zondvloed, met Sodom en Gomorra. Hij stelt verder dat deze leraars treden in het voetspoor van Bileam die zich liet betalen voor zijn onrecht. Met hun dwaalleer voeren zij de christenen weer terug naar de wereld die door God aan de ondergang is prijsgegeven. Welk motief hadden de dwaalleraars. Uit de brief blijkt dat zij niet uit de voeten konden met het onderwijs van bijvoorbeeld Paulus over de wederkomst. Zij twijfelden ook aan de werkelijkheid van de wederkomst, die langer uitbleef dan zij dachten (2 Petrus 2:1-22). Om die reden waren zij waarschijnlijk niet langer bereid om als christen een tweederangs positie in de samenleving te hebben en waren bereid zich aan te passen aan diezelfde samenleving.
- Petrus gaat in het derde deel op de wederkomst in. Hij spoort de geadresseerden aan om uit te blijven zien naar de wederkomst en de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (2 Petrus 3:1-18), maar dat betekent ook het vergaan van de huidige wereld.
Petrus 1:3-11
Na de groet doet Petrus een krachtige oproep om te groeien in geloof. Hieronder heb ik de tekst wat uitgewerkt, zodat de gedachtegang - naar ik hoop - duidelijk wordt.
3. Zijn goddelijke macht heeft ons alles geschonken wat nodig is voor een vroom leven, door de kennis van hem die ons geroepen heeft door zijn majesteit en wonderbaarlijke kracht. 4 Hiermee zijn ons kostbare, rijke beloften gedaan, opdat u zou ontkomen aan het verderf dat de wereld beheerst als gevolg van de begeerte, en opdat u deel zou krijgen aan de goddelijke natuur.
5 Span daarom al uw krachten in om uw geloof te verrijken met deugdzaamheid, uw deugdzaamheid met kennis, 6 uw kennis met zelfbeheersing, uw zelfbeheersing met volharding, uw volharding met vroomheid,7 uw vroomheid met liefde voor uw broeders en zusters, en uw liefde voor uw broeders en zusters met liefde voor allen.
8 Als u deze eigenschappen in overvloed bezit, is uw kennis van onze Heer Jezus Christus niet nutteloos maar vruchtbaar.
9 Wie ze niet bezit is kortzichtig, ja blind, en vergeet dat hij van zijn vroegere zonden gereinigd is.
10 Span u daarom des te meer in om uw roeping , en uitverkiezing waar te maken, broeders en zusters. Als u dit alles doet, komt u nooit ten val 11 en zal u onbelemmerd toegang worden verleend tot het eeuwige koninkrijk van onze Heer en redder Jezus Christus.
Christenen in de samenleving van de eerste eeuw
Hoe sta je als christen in de samenleving. In zijn eerste brief schrijft Petrus daarover: "Geliefde broeders en zusters, u bent als vreemdelingen die ver van huis zijn; ik vraag u dringend niet toe te geven aan zelfzuchtige verlangens, die uw ziel in gevaar brengen. Leid te midden van de ongelovigen een goed leven, opdat zij die u nu voor misdadigers uitmaken, door uw goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen op de dag waarop hij komt rechtspreken" (1 Petrus 2:11,12).
Het volgende valt op:
Petrus benoemt gelovigen als vreemdelingen die ver van huis zijn. Dit beeld staat vaker in het Nieuwe Testament en komt uit het Oude Testament, waar Abraham als vreemdeling heeft gewoond in het beloofde land. Om het wat concreter te maken kun je de situatie van christenen enigszins vergelijken met die van Turken in de Nederlandse samenleving. De gelovigen zijn inwoners van het rijk van God en wonen als vreemdelingen in de wereld van ongeloof. Gelovigen hebben andere gewoonten, gebruiken andere woorden, kennen (deels) andere normen en waarden en hebben een andere motivatie voor wat beslissend is: zij hebben een levende God in de hemel die met hen is.
De samenleving in het noordwesten van Turkije beschouwde hen echter als misdadigers, juist omdat ze anders waren en niet meededen aan de religieus-politieke activiteiten van de stad. Daarbij valt te denken aan de religieuze feesten, optochten en feestmalen. Het kan zijn dat er ook allerlei misverstanden leefden bij de mensen. In latere tijd ging het gerucht rond dat christenen het bloed van kinderen dronken, een wel heel erg verbasterde verwijzing naar de viering van het avondmaal.
Petrus roept de gelovigen op toegankelijk te zijn en een goed leven te leiden, zodat de samenleving kan zien dat het christelijke leven goed is. En wat belangrijker is, dat zij God eer zullen bewijzen op de dag van het oordeel vanwege zijn rechtvaardigheid en verlossing van de christenen.
In zijn tweede brief herinnert Petrus de lezers eraan dat zij eertijds deel uit maakten van deze Gode afkerige samenleving, maar dat God hen geroepen heeft tot het koninkrijk van de Heer en Verlosser Jezus Christus (2 Petrus 1:11).
Vier situaties
Er zijn grofweg vier situaties die de positie van de christen in de samenleving beschrijven. Natuurlijk zijn er allerlei variaties denkbaar en valt op de beschrijvingen wel wat af te dingen. De beschrijvingen sluiten aan bij de hedendaagse samenleving. De voorbeelden zijn deels ontleend aan de brieven uit het Nieuwe Testament.
- Aanpassing. Gelovigen hebben zich volledig aangepast aan de samenleving. Zij doen met alles mee, natuurlijk zijn er verschillen want zij geloven in Jezus Christus. De praktijk van het christelijk leven onderscheidt zich nauwelijks van de samenleving. Denk daarbij aan opvattingen over huwelijk en seksualiteit, abortus en euthanasie, omgang met tijd en inkomen. De gelovige combineert zijn geloof vrijwel moeiteloos met zijn dagelijks leven. De boodschap van geloof en bekering is verwaterd (Efeziërs 4:17-19; Openbaring 3:14-21).
- Anonimiteit. Gelovigen leven in twee werelden. Dat zijn de wereld van kerk en gezin en de wereld van de samenleving. In de samenleving staan zij als netjes bekend, maar niet als christen. Alleen als je hem er rechtstreeks naar vraagt, zal hij aangeven dat hij christen is. Gelovigen zijn feitelijk onzichtbaar en zullen dus niet vervolgd worden.
- Passiviteit. Gelovigen staan bekend als gelovigen, zijn actief in de samenleving als christenen. Zij zoeken niet de confrontatie, maar gaan die ook niet uit de weg als de samenleving de confrontatie zoekt. Dit brengt een zeker risico van vervolging met zich mee.
- Activiteit. Gelovigen zijn actief in de samenleving en presenteren zich als christenen, volgelingen van Jezus Christus. Zij roepen de samenleving op tot geloof en bekering. Dit roept weerstand op en kan leiden tot vervolging.
Dit leidt tot het volgende schema:
| Aanpassing | Anonimiteit | Passiviteit | Activiteit | |
| Christelijk leven | - | - / + | + | + |
| Evangelisatie | - | - | - / + | + |
| Weerstanden | - | - | - / + | + / - |
Tabel 1: - betekent 'niet'; - / + betekent 'niet' of 'wel' / + betekent 'wel'
Om over na te denken
- Hoe staan christenen bekend in de samenleving? (aangepast, anoniem, passief, actief) - in het algemeen?
- Hoe staat de kerkelijke gemeente bekend in de samenleving?
- Welke misverstanden leven in de samenleving rond het christelijk geloof?
- Wat is de mogelijke oorzaak van deze misverstanden?
- Hoe kunnen christenen tegenwoordig gehoor geven aan de oproep van Petrus? Aan de ene kant vreemdeling en dus anders. Aan de andere kant vraagt Petrus openheid van het christelijke leven, zodat de goede daden zichtbaar zijn.
- Hoe toegankelijk bent u als christen?
Aanstekelijk christen (2 Petrus 1:3-11)
Dit korte stukje aan het begin van de tweede brief bestaat uit vier paragrafen.
- 2 Petrus 1:3-4: Petrus herinnert de gelovigen aan hun bekering
- 2 Petrus 1:5-7: Petrus roept de gelovigen op tot groei in het christelijke leven
- 2 Petrus 1:8-9: Petrus laat zien dat de groei zeker vrucht zal dragen, maar ook de keerzijde als er geen groei is
- 2 Petrus 1:10-11: Petrus laat zien dat de gelovige wanneer er groei is beantwoordt aan het doel dat God heeft met zijn/haar leven. De belofte van het eeuwige leven in het koninkrijk van Jezus Christus staat vast.
Nu volgen twee bijbelstudies. De eerste richt zich op 2 Petrus 1:3-7, de tweede op 2 Petrus 1:8-11.
Bijbelstudie 1: Bekering en Groei (2 Petrus 1:3-7)
Aantekeningen
- Petrus begint met de roeping van de apostelen. Dat doet hij om zich te onderscheiden van de dwaalleraars. Een belangrijk element is de persoonlijke ontmoeting met Jezus Christus en vooral de verheerlijking op de berg (Matteüs 17:1-5; 2 Petrus 1:16-21).
- Hij wijst op de goddelijke macht van Jezus Christus, daarbij mogen wij denken aan de kracht van de heilige Geest.
- De heilige Geest is de Geest van kennis, van liefde, van inzicht en van geloof (Jesaja 11:2). Hij deelt dit mee aan de gelovigen met het oog op een vroom leven.
- Een vroom leven is een leven vanuit het besef dat God met mij is. Spreuken noemt dit "vreze des Heren" (NBG-1951) of "ontzag voor HEER" (NBV; Spreuken 1:7). Een vroom leven is niet saai, het leven van Petrus was allerminst saai. Een vroom leven komt tot uiting in de navolging van Jezus Christus.
- Petrus noemt dit de kennis van hem, Jezus Christus. Hij heeft Jezus Christus persoonlijk gekend en naar zijn onderwijs geluisterd. Daarbij is hij nog steeds onder de indruk van de grootheid van Jezus. Denk daarbij aan de genezingen, de wonderen en bovenal de opstanding uit de doden. Petrus heeft het lege graf gezien, heeft de levende Christus ontmoet en aanbeden, en was getuige van de hemelvaart.
- Van Christus heeft hij kostbare en rijke beloften ontvangen. In Jezus Christus ontvangt de gelovige de vergeving van zonden, het eeuwige leven en de heerlijkheid. Petrus heeft van Jezus de belofte ontvangen: "Ik ben met u" (Matteüs 28:20). Met deze belofte gaf Jezus ook de opdracht mensen tot leerling van het koninkrijk van de hemel te maken (Matteüs 28:19).
- Nadat hij zo eerst zijn eigen roeping en opdracht in herinnering heeft geroepen, spreekt hij de lezers aan. Waarom hebben hij en de andere apostelen de lezers het evangelie van Jezus Christus gebracht? Zodat zij niet deel hebben aan het verderf (negatief) en wel aan de goddelijke natuur (positief).
- De wereld van ongeloof is in de greep van de begeerte. Daarmee wijst Petrus indirect op de zondeval toen de mens het leven in eigen hand wilde hebben. In Genesis 3:6 is sprake van deze begeerte. Deze begeerte heeft de zonde, de schuld en de dood in de wereld gebracht. Aan de ene kant heeft de mens technisch (Westerse wereld) veel bereikt, maar aan de andere kant zie je overal om je heen de spanningen van gebroken huwelijken, relaties en de tegenstellingen tussen rijk en arm. Petrus noemt deze wereld verrot en is ten dode opgeschreven (het oordeel van God).
- De gelovigen zijn daaraan ontkomen en krijgen deel aan de goddelijke natuur. Dat betekent dat zij horen bij het koninkrijk van Jezus Christus en het eeuwige leven hebben ontvangen. Het betekent niet dat gelovigen vergoddelijkt zijn.
- Op grond hiervan roept Petrus op tot inspanning. Werk bewust aan een christelijk leven. Je kunt het wel een zevenstappenplan noemen, waarbij alles met alles samenhangt. Er zit wel een opklimming in. Hij begint bij de gelovige zelf. Dat zijn de eerste vijf. Vervolgens richt hij zich naar de ander. Eerst de medebroeder en zuster en daaraan gekoppeld de liefde tot de mensen in het algemeen.
- Het woord inspanning kan de gedachte oproepen dat het dus van de gelovige zelf afhangt. Petrus wijst inderdaad op die grote verantwoordelijkheid. Dit betekent niet meteen allerlei activiteit een zich afhankelijk weten van Jezus Christus en zijn heilige Geest, de goddelijke macht die Petrus en de andere apostelen hebben ontvangen.
- Deze inspanning betekent niet meer lezen in de bijbel, of meer bidden, maar "al uw krachten." Het gaat dus om een totale verandering van het leven.
- De kennis die hij noemt, heeft te maken met zelfkennis, mensenkennis en kennis van de bijbel. De kennis is dus breder dan alleen de kennis van Jezus Christus.
Om over na te denken:
- Petrus schetst in één zin de kloof tussen geloof (goddelijke natuur) en ongeloof (verderf). Hoe ervaart u deze kloof?
- Petrus noemt begeerte als oorzaak van het verderf in deze wereld. Paulus noemt het hebzucht (1 Timoteüs 6:11,12). De mens wil steeds meer en vooral het leven in eigen hand houden. Herkent u dit in de Nederlandse samenleving? Hoe staat u als christen hierin?
- Waarom benadrukt Petrus dat de beloften kostbaar en rijk zijn en gebruikt hij daarvoor twee woorden?
- Welke inspanning levert u om te groeien in het geloof, om uit te komen bij de liefde voor de broeders en zusters en voor mensen in het algemeen?
- Welke deugden zijn voor christenen belangrijk?
- Hoe bewust leeft u met de Heer (vroomheid) en hoe uit zich dat in uw woorden, gedrag en gedachten?
- Hoe uit u uw liefde voor broeders en zusters nu? (Probeer hierbij verder te kijken dan de vrienden in de gemeente.) Hoe wilt u daaraan meer aandacht geven?
- Waarom noemt Petrus de liefde voor de broeders en zusters de basis voor de liefde voor alle mensen?
- Hoe bewust bent u gericht op mensen in uw eigen omgeving die niet geloven?
- Welke ervaringen hebt u daarbij?
- Hoe open is uw gezin (huis) voor broeders en zusters?
- Hoe open is uw gezin (huis) voor andere mensen?
Bijbelstudie 2. Resultaat en zekerheid (2 Petrus 1:8-11)
Aantekeningen:
- Petrus begint het tweede deel met een belofte. Hij zegt: "Als u deze eigenschappen (vers 5-7) in overvloed bezit," dan zal dat resultaat hebben.
- Hij wil daarmee geen schuldgevoel oproepen: "Help, ik heb deze eigenschappen niet," maar een verlangen: "ik wil deze eigenschappen ook graag hebben."
- In 1:9 waarschuwt hij. Dat doet hij in 1:8 nog niet. In 1:9 roept hij op tot zelfonderzoek. Hoe komt het dat jij je niet inspant? Ben je vergeten dat je bent overgegaan van het "verderf" naar de "goddelijke natuur." Deze overgang wordt immers gemarkeerd door de vergeving van zonden. Zolang je geen vergeving van zonden hebt, maak je deel uit van de wereld van verderf. Heb je de vergeving van zonden ontvangen, dan heb je deel aan de goddelijke natuur.
- Wanneer de vergeving van zonden niet bewust beleefd wordt, dat motiveert dat niet tot een christelijk leven. Petrus noemt dat blind en kortzichtig. Blind omdat je de kloof tussen vroeger (verderf) en nu (goddelijke natuur) niet meer ziet. Kortzichtig, omdat je op jezelf gericht bent en niet op anderen. Kortzichtig, omdat je op het nu gericht bent en niet op de toekomst, het hemels koninkrijk van Jezus Christus.
- Bewuste beleving van zonden leidt tot bekering van deze zonden. Dat betekent wel persoonlijke strijd, vandaar dat Petrus ook zelfbeheersing en volharding noemt.
- Uw kennis van Jezus Christus is niet nutteloos, maar vruchtbaar. De gelovige zal zelf groeien in geloof en kennis, maar zal ook anderen daarin laten delen.
- Petrus gebruikt hier twee woorden die ook in de landbouw worden gebruikt. Nutteloos kan ook braak liggen betekenen. En vrucht heeft te maken met opbrengst van het land, de vruchten van het land. Het beeld is nu als volgt. Tot de eigenschappen hoort ook de liefde voor alle mensen. Wanneer de gelovige deze liefde (en de andere eigenschappen bezit), zal het resultaat vanzelf komen. Zijn daden van liefde zullen niet een braakliggend terrein blijven, maar de opbrengst komt. Mensen die niet geloven zullen zich af gaan vragen wat een christen bezielt.
- Het christelijk leven is dus vruchtbaar voor de persoon zelf (deugdzaam, kennis, volharding, zelfbeheersing, vroomheid), voor de broeders en zusters en voor alle mensen (liefde).
- Vervolgens doet Petrus opnieuw een nadrukkelijke oproep tot inspanning en verbindt deze aan de roeping en verkiezing van Godswege. Daartoe heeft God u geroepen en uitgekozen. Een voorbeeld kan dit duidelijk maken. Een trainer selecteert (kiest uit) een aantal spelers voor een eerste klas team. Hij kent ze. En hij heeft grote verwachting van ze. Daarom roept hij ze op voor de training en de wedstrijd. De spelers willen deze verwachting waar maken. Zij zien het als een eer dat de trainer hen heeft uitgekozen en opgeroepen. Nu lopen christenen het risico dat zij allereerst benadrukken dat zij het juist niet waard zijn en wijzen op de genade van God. Dat is terecht, maar de andere kant is er ook: God heeft hen juist waardig gevonden voor zijn koninkrijk. Alleen zullen gelovigen dat niet in zichzelf mogen zoeken, maar alleen in God.
- Hoe is de volgorde hier? God kiest uit, zelfs voor de grondlegging van de aarde (Efeziërs 1:4). Vervolgens roept hij zijn kinderen. Zo heeft Jezus Petrus geroepen (Matteüs 4:18-22). De gelovige hoort eerst de roeping en mag vervolgens weten dat zijn roeping verankerd ligt in de verkiezing. Dus bij God is de volgorde: verkiezing (voor de tijd) en roeping (in de tijd). Bij de gelovige is de volgorde: roeping (in de tijd) en verankerd in de verkiezing (voor de tijd). De zekerheid van de gelovige ligt dus in de roeping die van Godswege uitgaat en vervolgens in de verkiezing.
- Wanneer de gelovige zichzelf afvraagt of hij wel geroepen of uitverkoren is, doet hij God te kort. De gelovige moet zichzelf wel afvragen of hij beantwoordt aan de roeping en uitverkiezing van God.
- Petrus geeft in Christus' naam vervolgens de belofte met het oog op de toekomst. Onderweg naar het koninkrijk van Jezus Christus, zul je niet ten val komen. Tenminste wanneer je je inspant in de kracht van de heilige Geest. De tweede belofte is met het oog op het einddoel: het koninkrijk van onze Heer en redder Jezus Christus.
- Opnieuw is het goed om naar 2 Petrus 1:4 te kijken. Daar is sprake van "het verderf van de wereld." Hier noemt hij het koninkrijk van de Redder. Jezus heeft ons gered van dit verderf.
- Jezus is Heer. In de wereld van toen claimde de Romeinse keizer deze titel. Zijn rijk is inmiddels ten onder gegaan. Het koninkrijk van Jezus blijft eeuwig bestaan.
Om over na te denken:
- De kennis van Jezus Christus verandert het persoonlijke leven (vergelijk Efeziërs
4:17-24). Op welke punten heeft deze kennis uw houding verandert?
- Omgang met broeders en zusters?
- Omgang met andere mensen?
- Vertrouwen in de toekomst?
- Uw opvattingen over huwelijk en seksualiteit?
- Anders....
- Hoe bewust staat u stil bij de vergeving van zonden? Hoe bent u daarin gegroeid?
- Welk antwoord kunt u geven aan iemand die zegt dat hij niet kan geloven, omdat hij zo niet opgevoed is?
- Hoe bewust bent u van de roeping van Godswege?
- Hebt u ervaren dat iemand tot geloof kwam? Wat kunt u / wilt u daarover vertellen?
- Velen komen ten val, hoe verhoudt zich dat tot de belofte van Petrus?
- Petrus is doordrongen van het besef dat deze wereld te gronde gaat. Hoe motiveert dit besef om anderen op te roepen tot geloof en bekering? Welke moeiten ervaart u daarbij?
- Lees Matteüs 7:24-27. Wat zegt dit over het "niet ten val komen"?
- Lees Matteüs 7:21-23. Wat zegt dit over de "onbelemmerde toegang tot het koninkrijk"?